Minister werkt aan subsidie voor bouw Renure-installaties

De subsidieregeling moet bijdragen aan een grotere productiecapaciteit van Renure-producten, meststoffen die worden gemaakt uit bewerkte dierlijke mest en die kunstmest deels kunnen vervangen. Volgens Van Essen bieden deze producten kansen om stikstof efficiënter te benutten en de afhankelijkheid van kunstmestimport te verkleinen. Met de regeling wil de minister melkveehouders meer langetermijnperspectief bieden nu de derogatie is vervallen.
Voor de zomer regelgeving voor Renure
De minister van Landbouw wil daarnaast rond de zomer de nationale regelgeving voor het gebruik van Renure-producten boven de norm voor dierlijke mest in werking laten treden. Daarmee moet er meer ruimte ontstaan voor het gebruik van deze meststoffen op landbouwgrond.
Volgens Van Essen zijn er in Nederland nog wel belemmeringen voor de ontwikkeling van Renure-installaties. Vooral vergunningverlening noemt zij een uitdaging. In Europees verband ziet de minister juist beweging richting meer ruimte voor gerecyclede nutriënten. Zo mogen bepaalde Renure-meststoffen onder aangepaste Europese regels boven de gebruiksnorm voor dierlijke mest worden toegepast.
De Europese Commissie werkt daarnaast aan een Fertiliser Action Plan, gericht op meer markttransparantie en opschaling van gerecyclede nutriënten. Ook wil Europa de afhankelijkheid van kunstmestimport verkleinen, onder meer via importheffingen op Russische kunstmest en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM).
Kunstmest soms lastig te vervangen
Aanleiding voor de Kamervragen was de discussie over de situatie waarin boeren mest moeten afvoeren en tegelijkertijd kunstmest aankopen. Dat speelt volgens de minister vooral op graslandbedrijven, waar de stikstofgebruiksnorm hoger ligt dan de Europese norm van 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare.
Volgens Van Essen is kunstmestgebruik in sommige sectoren ook praktisch lastig te vervangen. In de vollegrondsgroenteteelt moet soms worden bemest wanneer het gewas al op het land staat, waardoor machines voor dierlijke mest niet meer kunnen worden ingezet.
De minister erkent dat de afbouw van de derogatie grote gevolgen heeft voor de melkveehouderij. Daarbij speelt volgens haar vooral de mate van intensiteit van bedrijven een rol. Een groot intensief bedrijf kan daardoor harder worden geraakt dan een kleiner extensief bedrijf. Tegelijkertijd zegt Van Essen geen signalen te hebben dat kleinere bedrijven per definitie harder worden getroffen door het mestbeleid dan grotere bedrijven.
Van Essen: biologische landbouw mogelijk oplossing
Voor akker- en tuinbouwbedrijven kunnen de hogere mestafzetprijzen juist positief uitpakken. Volgens de minister kan het inkomen van deze bedrijven stijgen door de ontvangst van dierlijke mest. Hoe de balans tussen mestaanvoer en lagere kunstmestbehoefte uiteindelijk uitpakt, is nog onduidelijk.
Van Essen noemt daarnaast biologische landbouw een mogelijke oplossingsrichting, omdat daar geen kunstmest wordt gebruikt en extensieve bedrijfsvoering mogelijk is. Het kabinet wil het areaal biologische landbouw laten groeien naar 15 procent in 2030, al benadrukt de minister dat daarvoor voldoende marktvraag nodig is.




